Zijn de jaren 30 terug? Busch en De Wever over populisme, fascisme en democratie

Historici Christophe Busch en Bruno De Wever analyseren de opmars van populisme en fascistische mechanismen in de VS en Europa en het belang van een sterk sociaal weefsel.
Lees verder >>

Deel dit bericht

Christophe Busch: “De Verenigde Staten is een uitstekend slecht voorbeeld”

Christophe Busch, directeur van het Hannah Arendt Instituut, hoopt dat de situatie in de Verenigde Staten – waar volgens hem mechanismen van het fascisme zichtbaar worden – de ogen zal openen van burgers in Europa. Hij pleit bovendien nadrukkelijk voor het versterken van sociale contacten.

Interview door Véronique Lamquin | Gepubliceerd op 25 februari 2026 in Le Soir

In deze turbulente tijden: kunnen olifanten ons de weg wijzen? “De sociaal psycholoog Jonathan Haidt legt uit dat ons brein lijkt op een olifant en zijn berijder. De olifant staat voor het emotionele en intuïtieve deel, de berijder voor het rationele deel. Als een olifant een muis ziet, schrikt en wil wegrennen, dan zal de berijder hem niet kunnen sturen met geruststellende en rationele woorden. Bovendien zal de hele kudde volgen. Precies zoals tijdens de pandemie: het volstond niet om met wetenschappelijke artikels te komen om de vermeende angst voor onvruchtbaarheid door het vaccin te weerleggen …” Volgens Christophe Busch, directeur van het Hannah Arendt Instituut, fluistert Donald Trump in het oor van de olifanten. “Hij zet de angsten, emoties en onzekerheden van de massa om in electorale winst.”

Nu beginnen mensen te begrijpen, bijvoorbeeld wanneer ze zien wat ICE doet in de Verenigde Staten, hoe een democratie kan afglijden.

Christophe Busch, Directeur Hannah Arendt Instituut

Zoals alle populisten?

Mensen die extreemrechtse ideeën verspreiden zijn niet in de meerderheid, maar ze zijn strategisch met elkaar verbonden. Ze spreken de taal van de olifanten en gebruiken nieuwe technologieën om succes te boeken.
Iemand wees me er ooit op dat Vlaams Belang geen etalage meer had in Mechelen en zag dat als een teken van achteruitgang. In werkelijkheid: hoeveel konden ze, met de opbrengst van de verkoop van dat gebouw, investeren in de virtuele wereld?

Wij zijn met veel meer mensen die de democratie levend willen houden, maar we werken allemaal apart. We moeten onze krachten bundelen en een strategie ontwikkelen om niet alleen tot de berijder te spreken, maar ook tot de olifant. Natuurlijk kunnen we niet dezelfde simplistische taal gebruiken als populisten. Maar we moeten wel naar mensen luisteren en de problemen die zij benoemen ernstig nemen, zelfs als ze feitelijk niet helemaal kloppen.

Ik herinner me dat ik ooit een oudere dame uit Geluwe, in West-Vlaanderen, vroeg wat het grootste probleem in haar omgeving was. Ze antwoordde: “Omvolking.” Ik vroeg haar om dat te verduidelijken.
Ze zei: “We zijn Brussel verloren. De bevolking is veranderd. En nu komen die mensen vechten in Blankenberge, dat is hier vlakbij. Ik ben bang dat het ons ook zal overkomen.”

In werkelijkheid leeft die vrouw totaal geïsoleerd. Haar beeld van Brussel komt van Facebook. Natuurlijk moeten we de echte problemen in Brussel of elders niet ontkennen. We moeten ze benoemen om oplossingen te vinden, niet om angst te voeden. Het probleem is ook haar sociale isolement. Het antwoord moet niet zijn haar ‘racist’ te noemen, maar haar blikveld te verruimen door dat isolement te doorbreken.

Wanneer mensen met anderen praten – niet noodzakelijk met mensen die dezelfde mening hebben – bijvoorbeeld in een café, dan is het mogelijk om nuances aan te brengen en elkaar aan het denken te zetten. Op sociale media daarentegen overheerst een logica van positionering: voor of tegen, vriend of vijand, goed of slecht … Dat maakt de terugkeer naar de echte wereld niet gemakkelijker.

Kort gezegd: allemaal naar het café om echt met elkaar te praten?

Het sociale weefsel is in elk geval een antwoord. Ik ken de situatie in Wallonië minder goed, maar ze verschilt waarschijnlijk niet zo sterk van die in Vlaanderen, dat een zeer rijke en diverse civiele samenleving heeft. We moeten dat sociale weefsel versterken. Dat helpt om te voorkomen dat extreemrechts wortel schiet. Dat begint op het niveau van een wijk, bijvoorbeeld met het uitdelen van soep, wat mensen de kans geeft om te luisteren en met elkaar in gesprek te gaan.

Ziet u in een wereld die – duidelijk – slecht draait toch nog positieve elementen?

Eigenlijk wel. De situatie wordt duidelijker. Drie of vier jaar geleden, wanneer ik over totalitarisme sprak, zeiden mensen: “Maar dat was de vorige eeuw, waarom moeten we ons daar nog mee bezighouden?” Vandaag zegt niemand dat nog.

In Oost-Europa wisten mensen al dat een democratie kan verdwijnen. De Sovjets zijn daar pas in de jaren 90 vertrokken, en veel mensen weten nog wat het betekent om onder een sterk regime te leven. Wij daarentegen dachten sinds 1945 dat onze instellingen solide waren.

Dat klopt, maar kijk naar wat er in de Verenigde Staten gebeurt, en naar het verschil tussen Trump I en Trump II. Trump I werd nog gecorrigeerd door de instellingen. Trump II, met steun van de Heritage Foundation, begon de instellingen al op de eerste dag van zijn mandaat aan te vallen.

Voor mij zijn de Verenigde Staten een ‘heel goed slecht voorbeeld’: van de ene dag op de andere gebeurt het ondenkbare. Ik hoor mensen zeggen dat ze nooit begrepen hoe men in de jaren dertig zo ver had kunnen komen, maar dat ze het nu beginnen te begrijpen, bijvoorbeeld wanneer ze zien wat ICE doet in de Verenigde Staten, en hoe een democratie kan afglijden.

Had u gedacht dat de Amerikaanse democratie zo fragiel was?

Na Trump I dacht ik dat mensen hun les wel geleerd zouden hebben. Natuurlijk weten we dat de Amerikaanse samenleving al decennialang sterk gepolariseerd is en dat politieke tegenstanders er als vijanden worden gezien. In die zin was er altijd al een zekere kwetsbaarheid.

In Europa hebben we een politiek systeem dat een grotere pluraliteit garandeert. We zijn voorzichtig en traag – een echte processie van Echternach – met lange discussies die soms de efficiëntie verminderen. In de Verenigde Staten is het eerder: go fast and break something (ga snel en breek iets). Dat zien we vandaag duidelijk bij de big techbedrijven. En misschien is het de democratie die ze kapotmaken.

Kan dat het land terugbrengen naar de jaren dertig, naar het fascisme?

Nee, het is niet volledig vergelijkbaar, er zijn verschillen. En bovendien: wanneer je in het fascisme zit, is het al te laat. Daarom moeten we de tekenen van fascisme op tijd benoemen. En ja, in de Verenigde Staten zien we vandaag bepaalde mechanismen van fascisme. Dat maakt de Verenigde Staten nog geen fascistisch land, maar wel een land dat die richting uitgaat.

Is het nog mogelijk dat ze terugkeren op hun stappen?

Burgers laten zich verleiden door simplistische uitspraken en totaal onmogelijke oplossingen voor complexe problemen. Maar om dat te ontmaskeren, moeten burgers de effecten van dat beleid ervaren. Mensen moeten de ogen kunnen openen. Daarvoor moeten we zowel rationeel werken – met expertise – als investeren in het sociale weefsel.

Kan wat er in de Verenigde Staten gebeurt ook in Europa gebeuren?

Het risico bestaat. Tegelijk is niet alles vergelijkbaar. Enerzijds kan het Amerikaanse voorbeeld mensen hier doen twijfelen en nadenken. Anderzijds mogen we niet naïef zijn: extreemrechts is al aan de macht in Italië, Hongarije en Polen. Als morgen Duitsland of Frankrijk kantelen, dan hebben we een groot probleem.

Uw instituut draagt de naam van Hannah Arendt … wat kan zij ons leren?

Een van de kernconcepten in haar denken is nataliteit. Na onze fysieke geboorte wordt elk mens ook politiek opnieuw geboren. Hoe? Door deel te nemen aan het publieke leven: door zich kandidaat te stellen bij verkiezingen, door in de media te werken, door activist te worden.

Dat idee van opnieuw geboren worden is wat Europa na de oorlog, ondanks miljoenen slachtoffers, heeft geholpen om zich te heropbouwen rond mensenrechten. Er is dus hoop: na een drama staan mensen op om opnieuw samen een samenleving op te bouwen.