Houden van is rouwen om: hoe blijf je verbonden als meningen botsen?

Hoe blijf je verbonden als meningen botsen? Schrijfster Marthe Walter en filosoof Simon Truwant over de mens achter de mening.
Lees verder >>

Deel dit bericht

“Het goede is iets dat herhaaldelijk moet worden gedaan om te kunnen bestaan.”

In deze ontroerende dialoog spreekt de Belgisch-Poolse filosofe, auteur en voorzitter van PEN Vlaanderen, Alicja Gescinska, met de Palestijnse schrijver en mede-PEN-lid Hani Albayari. Naast hun gedeelde toewijding aan literatuur en het vrije woord, delen ze een ingrijpende persoonlijke geschiedenis: beiden zijn gevormd door hun ervaringen als vluchteling. Vertrekkend vanuit Gescinska’s recente Nederlandse vertaling van Hannah Arendts Palestina-essays (uit 1944 en 1958), overstijgt hun gesprek al snel de historische bron om het verwoestende heden recht in de ogen te kijken.

In hun gesprek botsen intellectuele hoop en geleefde wanhoop. Gescinska zoekt in Arendts teksten en de Poolse geschiedenis naar een hardnekkig geloof: dat “haat niet eeuwig is” en dat we rechtvaardigheid voortdurend moeten blijven verbeelden om het te laten bestaan. Albayari, geboren in ballingschap en getuige van de hedendaagse verwoesting van Gaza en de Westelijke Jordaanoever, plaatst daar de onverbloemde waarheid tegenover van een realiteit waarin de veerkracht volledig is uitgeput.

Maar voorbij de spanning tussen optimisme en hartzeer leggen beide sprekers een essentiële waarheid bloot over onze menselijke verantwoordelijkheid: onze morele plicht begint zodra we weigeren weg te kijken. Het goede is immers geen permanente toestand, maar een kwetsbare praktijk die we telkens opnieuw moeten vormgeven om het überhaupt te laten bestaan.

Door Sarah Van Meel en Cynthia Van Der Heyden

Over Hani Albayari

Hani Albayari (1990) is een gevestigde Palestijnse schrijver, dichter en redacteur. In Gaza was hij een van de weinige auteurs die zich volledig toelegde op kinderliteratuur, in de vaste overtuiging dat verhalen een veilige ruimte bieden voor jonge geesten om hun emoties en verbeelding te verkennen. Twee jaar geleden vluchtte hij met zijn gezin naar België, waar hij met de actieve steun van PEN Vlaanderen en zijn mentor, schrijfster Anne Provoost, zijn literaire stem met succes heeft herontdekt in een nieuwe taal. Zijn eerste in het Nederlands vertaalde kinderboek, De verloren kleuren, is een poëtisch verhaal over hoe vriendelijkheid letterlijk kleur terug kan brengen in de wereld. Terwijl hij een nieuw leven opbouwt in België, leeft hij in voortdurende bezorgdheid om zijn familie, die momenteel onder erbarmelijke omstandigheden overleeft in een tentenkamp in Khan Yunis.

Over Alicja Gescinska 

Filosoof, auteur en voorzitter van PEN Vlaanderen, Alicja Gescinska (1981) vluchtte in 1988 op zevenjarige leeftijd samen met haar familie uit het communistische Polen naar België. Na een verblijf in het asielzoekerscentrum ‘Klein Kasteeltje’ in Brussel groeide ze op in het Oost-Vlaamse dorp Lede. Haar jeugd werd gekenmerkt door de financiële worstelingen van haar ouders – die hun carrière als ingenieurs opofferden voor een onzekere toekomst – en de opkomst van extreemrechts in het begin van de jaren negentig. Toch ervoer haar familie ook grote warmte van een buurvrouw genaamd Anny, wier kleine daden van vriendelijkheid een cruciale rol in hun leven speelden. Deze vroege ontheemding blijft de fundamentele ondertoon van Gescinska’s leven en identiteit. Gedreven door een diep gevoel van dankbaarheid voor de enorme offers van haar ouders, zette ze haar ervaringen om in een rigoureuze intellectuele ambitie, en wijdde ze uiteindelijk haar carrière aan mensenrechten en de kracht van het vrije woord.

Alicja, je vertaalde onlangs twee cruciale, historische teksten van Hannah Arendt over Palestina (uit 1944 en 1958) naar het Nederlands. In je inleiding laat je duidelijk zien hoe Arendt – ondanks haar vroege activisme binnen het zionisme – zich in 1948 fel verzette tegen de oprichting van een exclusief Joodse natiestaat. Het in de steek laten van de Palestijnen noemde zij toen een “dodelijke slag” voor het Arabisch-Joodse samenleven. Waarom vond je het belangrijk om juist deze teksten nu naar het Nederlandstalige publiek te brengen?

Gescinska: Ik wilde deze teksten graag in het Nederlands beschikbaar maken, omdat ze een onmisbaar vertrekpunt zijn voor een dialoog over de toekomst van Israël en Palestina, en het bredere Midden-Oosten. Het boek bevat twee teksten. De eerste tekst, uit 1944, fileert het Amerikaanse buitenlandse beleid rond Palestina als een spel van olie, macht en het tegen elkaar uitspelen van mensen. De tweede tekst, uit 1958, behandelt het Palestijnse vluchtelingenprobleem na de Nakba. Arendt stelt hierin het menselijk leed centraal: voordat er een politieke oplossing kan komen, moet er een menselijke zijn. Voor mij is de belangrijkste zin: “haat is niet eeuwig.” Die woorden nodigen ons uit om hoopvol en constructief over de toekomst na te denken, in plaats van er blind vanuit te gaan dat haat en vijandigheid er altijd zullen zijn.

Hani, hoe interpreteer jij als Palestijnse schrijver Arendts historische analyse?

Albayari: Ik denk dat mensen nog steeds geen idee hebben hoe Palestijnen denken en leven. Ik ben geboren als vluchteling. Mijn vader heeft zijn hele leven doorgebracht in hetzelfde kamp aan de kust in Gaza. Toen hij daar wegging om naar Egypte te gaan, vertrok hij opnieuw als ontheemde. Dus wanneer anderen over ons spreken, stuiten we telkens weer op diepe onwetendheid over waarom we destijds huis en haard verloren. In haar tekst uit 1944 wilde Arendt dat de Verenigde Staten de onderdrukten zouden steunen – wat op dat moment het Joodse volk was. Maar toen ze over de relatie tussen Joden en Arabieren begon, stelde ze dat de Arabische haat jegens de Joden de grootste hindernis was. Voor mij klopt dat niet. Het draaide destijds helemaal niet om een blinde Arabische haat tegen Joden; wij waren een inheemse bevolking die machteloos moest toezien hoe anderen hun land kwamen innemen. Voor Palestijnen is dit geen abstract debat, het is onze geleefde werkelijkheid.

Het Westen is hier diep bij betrokken, toen én nu. Vandaag de dag sturen ze militaire hulp naar Israël. Kijk naar wat er de afgelopen jaren met mijn eigen familie en alle anderen in Gaza is gebeurd, en wat er op dit moment nog steeds gebeurt. Het Westen is niet passief. Ze zijn medeplichtig.

Gescinska: Ik ben het met je eens dat het Westen hier een rol in speelt. Maar als ik een tekst uit 1944 lees, probeer ik die niet alleen te beoordelen op basis van wat we nu weten. Arendt wist toen nog niet wat er in 1948 of 1958 zou gebeuren. Wat ze volgens mij vooral wilde blootleggen, is dat het Westen een buitengewoon kwalijke rol speelde in het Midden-Oosten, puur gedreven door economische belangen. Daarom moeten we deze tekst volgens mij niet lezen als een kant-en-klare oplossing, of als een weerspiegeling van hoe we vandaag naar het Midden-Oosten kijken.

Welke tijdloze lessen bieden Arendts teksten ons nu nog, los van haar boodschap dat haat niet eeuwig is en dat menselijkheid altijd voor politiek gaat?

Gescinska: De duidelijkste parallel is hoe pijnlijk nauwkeurig die eerste tekst blootlegt dat buitenlands beleid vrijwel altijd wordt gedreven door financiële belangen in plaats van door menselijkheid. Kijk naar de Amerikaanse president Donald Trump: wanneer hij naar Gaza kijkt, heeft hij het over strandresorts en ziet hij louter dollartekens. Beslissingen worden consequent genomen vanuit een economisch oogpunt, nooit vanuit een menselijk hart.

Zelfs vóór 1944, vóór de Nakba, was er al kolonialisme. En wat is dat in de kern? Een kwestie van geld. Ergens naartoe gaan om te nemen, niet om te geven. We gingen naar het Midden-Oosten, naar Afrika en talloze andere plaatsen om ons op te dringen, te veroveren en de boel leeg te plunderen. Neem Donald Trump: hij greep echt niet in in Venezuela omdat hij om de mensen gaf, maar voor de olie. Hij zette Iran niet onder druk omdat hij begaan was met vrouwenrechten; het ging hem puur om macht en olie. De dynamiek van 1944 is in feite nog exact dezelfde als die van vandaag. Als we willen dat menselijkheid een prioriteit wordt, moeten we daar zelf voor zorgen. Want van de Amerikaanse president hoeven we het absoluut niet te verwachten.

Albayari: Bij Venezuela of Iran snap ik de logica nog wel. Maar bij Palestina en Gaza kan ik dat niet. Als Palestijn geloof ik in een eenstaatoplossing, maar voor onze generatie voelt dat volstrekt onbereikbaar. Op dit moment geloof ik simpelweg niet dat er nog hoop is. Volgens mij wordt er fundamenteel niet begrepen wat Israël echt wil. Ik accepteer het idee van een religieuze staat niet, en al helemaal niet dat van het zionisme als een expansionistisch project. Europa begrijpt dit nog altijd niet. Sommige landen, zoals Spanje, nemen een krachtig standpunt in, terwijl andere, zoals Duitsland, passief blijven of zelfs medeplichtig zijn. Zolang het debat vastloopt op de vraag of dit nou wel of geen genocide is, of dat Israël het recht heeft om zo te handelen, komt er nooit een echte oplossing.

Alicja, in je voorwoord bij Arendts essays aarzel je niet om precies dat woord te gebruiken: je noemt het een genocide. Hoe breng je onze huidige morele verantwoordelijkheid in verband met wat Arendt in 1944 en 1958 schreef?

Gescinska: Het is lastig in te schatten wat Hannah Arendt vandaag de dag zou denken, dus ik wil absoluut niet namens haar spreken. In mijn inleiding noem ik het echter expliciet een genocide. Ik hoop dat deze teksten ons helpen om met meer verantwoordelijkheidsgevoel naar de wereld te kijken. Als we onze ogen sluiten en zeggen dat het niet ons probleem is, worden we er immers zelf deel van.

Als Joodse denker gebruikte Hannah Arendt haar stem om het Palestijnse lijden aan de kaak te stellen en te erkennen. Misschien was het niet genoeg, en misschien kijken we er met de kennis van nu met teleurstelling op terug. Maar ze sprak zich tenminste uit.

Alicja Gescinska

Hani, ik begrijp je teleurstelling in Hannah Arendt, maar ze heeft tenminste haar stem laten horen. Veel tijdgenoten en intellectuelen hebben destijds gezwegen. Als Joodse denker gebruikte Arendt haar stem juist om het Palestijnse lijden aan de kaak te stellen en te erkennen. Misschien was het niet genoeg, en misschien kijken we er met de kennis van nu met teleurstelling op terug. Maar ze sprak zich tenminste uit.

Albayari: Maar het grootste probleem is dat de ideeën uit die tekst van 1944 de kiem vormden voor de realiteit waarin ik nu leef. Wat zij bepleitte, was een Amerikaans beleid dat juist méér Joodse immigratie naar Palestina zou ondersteunen. Voor mij plaveide dat standpunt de weg naar het web van ideeën en beleid dat uiteindelijk heeft geleid tot de Nakba.

Gescinska: Ik begrijp wat je bedoelt: we lezen Arendt nu met kennis die zij toen nog niet had. Maar voor mij is haar tekst juist een aanklacht tegen de westerse bemoeienis, de hebzucht, de olie en de macht in het Midden-Oosten. Het Westen kwam niet om vrede te brengen; het kwam om te nemen. We moeten naar de volledige geschiedenis kijken: het antisemitisme, de Holocaust, het kolonialisme, de Nakba en de internationale erkenning van Israël. We kunnen de geschiedenis niet opknippen in losse stukjes. Het Westen speelde een rol, en dat was een buitengewoon kwalijke.

Illustratie Sarah Van Meel
Is dit een vorm van historische schuld, Alicja? Betekent dit dat het Westen, om écht naar een oplossing te zoeken, eerst zijn eigen lange geschiedenis van antisemitisme, kolonialisme en medeplichtigheid onder ogen moet zien?

Gescinska: Ja, dat is spijkers met koppen slaan. Natuurlijk is het goed dat we deze kwesties eindelijk bespreken en dat mensen gerechtigheid eisen, maar hadden we serieus 7 oktober nodig om wakker te worden geschud? We wisten alles al. We wisten dat Palestijnen niet als gelijkwaardige burgers werden behandeld. Er is al decennia sprake van apartheid. Er wordt al decennialang land gestolen. Er hing een soort beschermend schild rond Israël. Het Westen durfde geen vragen te stellen bij wat er gebeurde, omdat het zich zo pijnlijk bewust was van wat het het Joodse volk had aangedaan. Omdat de Joden slachtoffer waren geweest, was het bijna ondenkbaar dat zij ook onrecht konden toebrengen. Maar de geschiedenis kent geen simpele verdeling in ‘goeden’ en ‘slechten’. Slachtoffer zijn van de Holocaust maakt niet elke opeenvolgende politieke actie automatisch rechtvaardig.

“We hebben te veel leed genegeerd, terwijl we juist een krachtig moreel standpunt hadden moeten innemen. We aarzelen om ons uit te spreken, en als we het eindelijk doen, dan voelt het – in de woorden van journaliste Martha Gellhorn na de bevrijding van Buchenwald – als “too little, too late.”

Alicja Gescinska

Ik denk dat we veel te veel leed hebben genegeerd, terwijl we juist een krachtig moreel standpunt hadden moeten innemen. Maar dat is het probleem: we aarzelen om ons uit te spreken. En als we het eindelijk doen, voelt het – in de woorden van journaliste Martha Gellhorn na de bevrijding van Buchenwald – als “too little, too late.” Ik denk dat dat precies is wat jij voelt, Hani: “too little, too late.”

Hani, Alicja noemde de zin “haat is niet eeuwig” het belangrijkste statement uit het boek. Hoe sta jij daarin?

Albayari: Ik vind het heel moeilijk om te geloven dat haat niet eeuwig is. Op dit moment lijkt alles door haat te worden beheerst. 7 oktober was een gitzwarte dag, ook voor Palestijnen, maar ik zie het als een reactie op een veel langere geschiedenis van geweld en onderdrukking. Ik vrees dat er meer reacties zullen volgen, of dat nu over een jaar, over twee jaar, tien jaar of honderd jaar is. En ook die zullen voortkomen uit haat. Het spijt me om dit te moeten zeggen, maar ik geloof niet dat haat eindig is.

Gescinska: Dat spijt me om te horen. Maar als ik mag … misschien kan ik een hoopvol verhaal over Polen delen. Polen is ruim een eeuw lang volledig van de landkaart weggevaagd, maar de Polen bleven hun taal spreken, hielden hun cultuur levend en bleven geloven dat hun land zou terugkeren. Na de Eerste Wereldoorlog gebeurde dat ook. Daarna kwam de Tweede Wereldoorlog, die onvoorstelbaar veel leed bracht. Zowel Duitsland als Rusland probeerden Polen te vernietigen en de Poolse identiteit uit te wissen. Toen had je ook kunnen denken: er is geen hoop meer. Duitsland en Polen zullen elkaar eeuwig haten. Maar vandaag de dag leven ze naast elkaar, werken ze samen en maken ze allebei deel uit van de Europese Unie.

Natuurlijk ligt dat met Rusland nu anders, dus ik weet dat dit geen sprookje is. Maar de Poolse geschiedenis leert me wel dat de geschiedenis onverwachte wendingen kan nemen. Niets ligt van tevoren vast. Ik weiger te geloven dat Arabieren, Palestijnen en Joden gedoemd zijn om elkaar voor altijd te haten. Wel ben ik het ermee eens dat de pijn diep zit. Het helingsproces zal jaren, zelfs decennia duren, en vraagt om uiterste zorgvuldigheid. Wat we nu zien is het tegenovergestelde: totale onverschilligheid, westerse onwetendheid en de impliciete boodschap: “los het zelf maar op.” Toch wil ik blijven geloven in een weg vooruit. Het is onze verantwoordelijkheid om te blijven verbeelden hoe die heling kan beginnen.

Wat er nu in Gaza gebeurt, valt met geen woorden te beschrijven. Ik wou dat ik hoop kon zien, maar het lukt me niet. Voor mij zijn Europese politici geen toeschouwers. Ze maken wezenlijk deel uit van wat er is gebeurd en wat er nog steeds gaande is.

Hani Albayari

Albayari: Ik zou willen dat ik die hoop kon voelen. Maar de realiteit wijst me in de andere richting. Zoals je al zei: de wonden worden alleen maar dieper. Na de verwoesting van Gaza had ik niet verwacht dat het ook op de Westelijke Jordaanoever zo snel zou escaleren, alsof het niets is. Er vallen nog dagelijks Palestijnse doden, maar zodra de aantallen lager liggen, haalt het de media niet eens meer. Wat er nu in Gaza gebeurt, valt met geen woorden te beschrijven. Ik wou dat ik hoop kon zien, maar het lukt me niet. Voor mij zijn Europese politici geen toeschouwers. Ze zijn niet blind. Ze maken wezenlijk deel uit van wat er is gebeurd en wat er nog steeds gaande is. Dus ja, Alicja, ik hoor je optimisme en ik waardeer het, maar ik deel het niet. Ik ben simpelweg heel erg verdrietig en diep bezorgd.

“Er zal altijd onrecht in de wereld zijn, maar dat is juist de reden waarom we moeten blijven strijden voor gerechtigheid. Als iedereen stopt met erin te geloven, dan houdt rechtvaardigheid pas écht op te bestaan.”

Alicja Gescinska

Gescinska: Ik begrijp je volkomen. Jij voelt dit aan den lijve, veel directer dan ik. Als ik in jouw schoenen stond, zou ik waarschijnlijk exact hetzelfde zeggen. Ik verwacht ook niet van jou dat je hoopvol bent. Maar ik kan het niet over mijn hart krijgen om te zeggen: “Je hebt gelijk, er is geen hoop, en het kwaad wint altijd.” Dat is simpelweg geen fundament om verder te bouwen. Ik wil blijven geloven in een betere toekomst voor jou en je kinderen. Ik zeg niet dat er nog tijdens mijn leven vrede zal zijn, maar ik móét geloven dat vreedzaam samenleven mogelijk is. Als ik niet meer in rechtvaardigheid zou geloven, zou ik mijn werk voor PEN niet kunnen doen. Er zal altijd onrecht in de wereld zijn, maar dat is juist de reden waarom we moeten blijven strijden voor gerechtigheid. Als iedereen stopt met erin te geloven, dan houdt rechtvaardigheid pas écht op te bestaan.

Geloven in een betere toekomst heeft ook alles te maken met die toekomst durven verbeelden. Hoe helpt literatuur jullie daarbij, als schrijvers? Biedt het een ruimte om een andere realiteit vorm te geven?

Gescinska: Dat vind dat een heel mooie vraag. En Hani, ik vind dat jij hier je kinderboek over de kleuren moet noemen. Want dat boek bewijst juist dat jij wél in een betere toekomst gelooft. Het vertelt jonge kinderen dat een mooier wereld mogelijk is, dat er wél een toekomst is.

Albayari: Ja, ergens diep van binnen hoop ik natuurlijk nog steeds op een betere toekomst. Maar wat ik probeer te zeggen is dat ik de afgelopen drie jaar werkelijk elke dag over die toekomst heb nagedacht en – het spijt me om te zeggen – ik zie hem simpelweg niet. Er is op dit moment geen enkele ruimte voor veerkracht. Ik vraag niet eens om een normaal leven – ik zou al intens dankbaar zijn voor één enkele dag met net iets minder druk. Maar zelfs die dag is er niet.

Wat het schrijven en de literatuur betreft: toen ik hiernaartoe kwam, hoopte ik mijn werk voort te kunnen zetten. Ik heb inmiddels een kinderboek in het Nederlands gepubliceerd over de kleuren die uit de wereld verdwijnen. In het verhaal ontdekt een kind waarom de kleuren zijn verdwenen en probeert hij ze, samen met de buren en andere kinderen, weer terug te halen. De kleuren keren terug zodra mensen vriendelijke woorden tegen elkaar gebruiken. Dus ja, misschien zit er in dat boek inderdaad nog het geloof dat vriendelijkheid de wereld weer kleur kan geven.

Alicja, dit raakt aan een morele spanning waar we allemaal vaak mee worstelen, en die jij prachtig omschreef in je column over “de banaliteit van het goede”. Je schreef over Anny, de vrouw die jouw gezin destijds in België verwelkomde met ogenschijnlijk kleine gebaren, zoals het brengen van soep. Soms sluipt er een zeker cynisme – of zelfs schaamte – in ons op. We lezen de kranten, volgen het nieuws en bezoeken lezingen over de gruwelen in de wereld, om vervolgens naar huis te gaan en ons comfortabele, alledaagse leven weer op te pakken. Dat schuurt enorm. Het doet je afvragen: zijn die kleine, alledaagse daden van vriendelijkheid en goed nabuurschap wel écht genoeg? Of zijn ze slechts een manier om ons schuldgevoel af te kopen, zodat we geen grotere, radicale structurele actie hoeven te ondernemen? Hoe navigeer je door die morele spanning?

Gescinska: Ik begrijp de dilemma’s die je schetst heel goed, en je bent daarin absoluut niet alleen. Mensen willen helpen, maar stellen zichzelf voortdurend in vraag: ‘Doe ik wel genoeg? Heb ik überhaupt wel het recht om te genieten van mijn welverdiende vakantie of een glas wijn terwijl de wereld in brand staat?’ Maar als we niet meer van het leven mogen genieten, wat is daar dan nog de zin van? Als je het gewicht van elke tragedie op je schouders probeert te nemen, brand je onherroepelijk op. De wereld schreeuwt voortdurend om hulp – niet alleen in het Midden-Oosten, maar ook in Congo, Somalië, Soedan, de Oeigoerse regio en op zoveel andere plekken.

Het feit dat je niet de héle wereld kunt redden, betekent niet dat je bent ontslagen van je plicht. Als je je afkeert van de mensheid, keer je je uiteindelijk af van jezelf.

Alicja Gescinska

Als voorzitter van PEN Vlaanderen krijg ik vaak de vraag: ‘Wat kan ik doen om te helpen? Is het genoeg om alleen geld over te maken?’ Ik zeg dan altijd tegen mensen: het feit dat je niet de héle wereld kunt redden, betekent niet dat je bent ontslagen van je plicht. Als je je afkeert van de mensheid, keer je je uiteindelijk af van jezelf.

Ik verwijs vaak naar de filosoof Max Scheler. In zijn kritiek op Immanuel Kant – die de beroemde uitspraak “Du kannst, denn du sollst” (Je kunt, want je moet) deed – zette Scheler dit idee op zijn kop. Hij stelde in plaats daarvan dat morele verplichting daadwerkelijke bekwaamheid veronderstelt (“Sollen setzt Können voraus”). Met andere woorden, wat je hoort te doen wordt fundamenteel bepaald door wat je in staat bent te doen. Als een kind aan het verdrinken is en je kunt niet zwemmen, spring je niet in het water. Maar je kunt wel om hulp roepen. Je kunt schreeuwen. Je moet kijken naar je eigen mogelijkheden en van daaruit handelen. 

Gescinska: Het goede is een praktijk die je telkens opnieuw moet vormgeven om te bestaan. Je kunt je verantwoordelijkheid voor de wereld nooit volledig van je afschudden, maar ik ben een vurig pleitbezorger van het kleine gebaar. Naar elkaar omkijken, een collega vragen hoe het écht gaat, of mijn kinderen leren dat sommige klasgenootjes misschien niet thuiskomen bij een warme maaltijd die voor ze klaarstaat. Het gaat erom dat je je ogen opent voor het menselijk leed dat zich recht voor je neus afspeelt. Je weet nooit hoe een minuscuul gebaar van vriendelijkheid iemands leven compleet kan veranderen … Dat is precies waarom ik over Annie schreef.

Voor mij draait het uiteindelijk allemaal om je morele kompas. Zelfs als je niet publiekelijk reageert of de barricaden opgaat: als je die morele overtuiging vasthoudt en weigert weg te kijken – al is het maar puur in je eigen gedachten – dan is dat genoeg.

Hani Albayari

Albayari: Ik waardeer het enorm wat Alicja zegt over het openen van je ogen voor menselijk leed. Ja, het is veel makkelijker om te leven met je ogen dicht, omdat het gewicht van de werkelijkheid simpelweg te zwaar is. Maar als je je ogen opent en jezelf dwingt om te begrijpen wat er gebeurt, is dat op zichzelf al een krachtige daad. Demonstreren is geweldig, maar dat houd ik ook niet aan één stuk door vol. Ik heb een jaar lang bijna niets anders gedaan dan het nieuws volgen, en dat heeft mentaal een grote impact op me gehad.

Voor mij draait het uiteindelijk allemaal om je morele kompas. Zelfs als je niet publiekelijk reageert of de barricaden opgaat: als je die morele overtuiging vasthoudt en weigert weg te kijken – al is het maar puur in je eigen gedachten – dan is dat genoeg.

En zo eindigde het interview met het krachtige beeld van het openen van onze ogen. Het is, heel toepasselijk, het logo van het Hannah Arendt Instituut – zes ogen, waarvan er één open is.  Het draagt een diepgaande waarheid in zich: kennis is wat onze ogen opent, en het openen van onze ogen is de eerste noodzakelijke stap voordat er überhaupt een reactie mogelijk is. Vóór actie, vóór politiek, vóór oplossingen is er deze fundamentele keuze: de moed om naar de wereld te kijken, in plaats van weg te kijken.