Een sociaal netwerk: een toegangsticket tot de samenleving?

De Vlaamse regering wil in de toekomst initiatieven als buddyprojecten, bedrijfsstages of introductie in het vrijwilligerswerk gebruiken om de integratie van nieuwkomers te vergemakkelijken. Het zal de vierde pijler van het inburgeringsdecreet worden. Het Hannah Arendt Instituut onderzoekt hoe die pijler van sociale netwerken en participatie zou kunnen werken. Gaëlle Mortier en Stijn Oosterlynck zetten de inzichten uit de bestaande literatuur op een rij.

De Vlaamse regering kondigde het al aan. Naast de drie bestaande pijlers, (Nederlands, maatschappelijke oriëntatie en trajectbegeleiding) zal in het nieuwe inburgeringsdecreet een vierde pijler worden toegevoegd: sociale netwerken en participatie.

Met die vierde pijler wil het de nieuwkomers een traject op maat aanbieden in de vorm van bv. een buddyproject, introductie in het vrijwilligerswerk, een taalstage, deelname aan het verenigingsleven of een kennismakingsstage bij een bedrijf, organisatie of lokaal bestuur. Deze trajecten zouden de integratie en participatie van nieuwkomers in de samenleving verbeteren en ervoor zorgen dat ze een sociaal netwerk kunnen uitbouwen in de ontvangende samenleving.

Het opstarten en uitrollen van deze pijler is voor de toekomst. Gaëlle Mortier en Stijn Oosterlynck bekeken het reeds bestaande onderzoek over hoe deze sociale netwerken en participatie kunnen ingezet worden. Op basis van die eerste literatuurstudie zetten ze enkele bevindingen op een rij, die kunnen dienen als inspiratie voor de verdere uitwerking.

Waarom zijn sociale netwerken zo belangrijk voor nieuwkomers?

“We stellen vast dat inburgeraars wel degelijk hun sociale contacten willen uitbreiden, maar dat ze dit zonder de nodige steun moeilijk vinden. Nochtans kunnen ze een sociaal netwerk goed gebruiken bij het verwerven van een plaats in de nieuwe samenleving. Een buddyproject kan bijvoorbeeld eenzaamheid verminderen en de nieuwkomer meer zelfvertrouwen geven.

Daarnaast kunnen deze initiatieven hen vertrouwd maken met de gebruiken en gewoontes in de Vlaamse samenleving. Het gaat eigenlijk om ongeschreven regels die niet expliciet aan bod komen in ‘reguliere’ instellingen en trainingen. Tegelijkertijd kunnen inburgeraars er hun Nederlands oefenen.

Verder kan een sociaal netwerk de toegang van nieuwkomers tot verschillende diensten vergemakkelijken. Denk maar aan onderwijs, huisvestiging en vrijetijdsactiviteiten. Tot slot zouden er grote kansen op tewerkstelling zijn bij buddyprogramma’s naar werk, die inzetten op betekenisvolle sociale contacten tussen nieuwkomers en de gevestigde bevolking.”

Een introductie tot vrijwilligerswerk is een van de mogelijkheden binnen de vierde pijler.
Wat kan de gevestigde bevolking leren van trajecten rond sociale netwerken en participatie?

 “Het is belangrijk om integratie te begrijpen als een tweerichtingsverkeer. Deze trajecten geven burgers met en zonder migratie-achtergrond de kans om te leren van elkaar en elkaars achtergrond. Dit kan vooroordelen verminderen en stereotypen weerleggen.

Bovendien kan het hun netwerken, die nu nog vaak naast elkaar bestaan, dichter bij elkaar brengen en met elkaar laten interageren. Zo vermijd je sociale segregatie en kan je bouwen aan een nieuwe samenleving waarin zowel gevestigde groepen als nieuwkomers een plaats krijgen. Zoals de Vlaamse regering al aangaf, zal ook de ontvangende samenleving hiervoor de nodige inspanningen moeten leveren.”

Hoe kunnen trajecten rond sociale netwerken en participatie worden ingezet?

“Vanuit de wetenschappelijke onderzoeksliteratuur kan dit grofweg op twee manieren, namelijk via mentoring en befriending. Mentoring zet een meer ervaren (en vaak ouder) rolmodel in zodat de nieuwkomer bepaalde competenties onder de knie krijgt. Hier dient het sociaal contact een welbepaald doel, zoals bijvoorbeeld het vinden van een job.

Bij befriending is het verstevigen van het onderlinge contact tussen vrijwilliger en inburgeraar een doel op zich. Hier is de sociale relatie een bron van welzijn en kan het onder meer de isolatie van de nieuwkomer doen afnemen en zijn netwerk uitbreiden.

In de praktijk komen deze twee werkwijzen echter vaak tegelijkertijd voor. Het meeste wetenschappelijk onderzoek gaat wel over mentoring. ”

Wat kan de meerwaarde van de vierde pijler zijn, ten aanzien van het huidige inburgeringsdecreet?

“Voor deze vierde pijler zal men in grote mate beroep doen op vrijwilligers. Deze vrijwillige en altruïstische motieven zijn een belangrijke meerwaarde. Nieuwkomers kunnen dit vrijwillig engagement immers beschouwen als een oprechte indicatie om hen te helpen. Dit verhoogt het vertrouwen tussen inburgeraar en de ontvangende samenleving. Daardoor voelen nieuwkomers zich niet alleen emotioneel meer ondersteund in hun inburgeringstraject, maar kunnen ze die hulp ook aanspreken om vooruitgang te boeken op vlak van arbeidsmarkt, onderwijs of huisvesting.

Om misverstanden en spanningen tussen professionals en vrijwilligers te vermijden, is een duidelijke taakomschrijving- en verdeling wel een must. Zo benadrukken verschillende betrokkenen dat de buddy geen hulpverlener is. Toch wordt van een buddy verwacht om de nodige opleidingen te volgen en over een professionele attitude te beschikken. Ook krijgt deze vrijwilliger dikwijls hulpvragen van de nieuwkomer, die eigenlijk voor professionele hulpverleners bedoeld zijn. Het is niet de bedoeling dat vrijwilligers de plaats van professionals innemen. ”

“Het is niet de bedoeling dat vrijwilligers de plaats van professionals innemen.”

“Bovendien is de vierde pijler flexibel inzetbaar. Het hoeft dus niet noodzakelijk om één-op-één buddy-trajecten te gaan. Er bestaan eveneens initiatieven in groep die de veerkracht van nieuwkomers in de ontvangende samenleving kunnen vergroten. Zo kan groepsmentoring nuttig zijn om specifieke problemen van minderheden aan te pakken.

Iemand die bijvoorbeeld zelf het inburgeringstraject heeft afgelegd, is bekend met de vragen en moeilijkheden van de nieuwkomer en kan optreden als ervaringsdeskundige. Maar ook sportparticipatie creëert mogelijkheden tot ontmoeting en kan de integratie van nieuwkomers bevorderen. Een bedrijfsstage waarbij taken collectief worden uitgevoerd, kan evenzeer etnisch-culturele verschillen overbruggen. De mogelijkheden zijn met andere woorden ontelbaar.”

Wat zijn noodzakelijke ingrediënten om van dergelijke trajecten een succes te maken?

“Interculturele contacten leiden niet automatisch tot de resultaten die we hierboven beschrijven.Verschillende studies wijzen op enkele belangrijke voorwaarden, die niet altijd even gemakkelijk te creëren zijn. Allereerst vereist matching tussen nieuwkomer en vrijwilliger of organisatie bijzondere aandacht. De kwaliteit van de match bepaalt of er al dan niet een vertrouwensrelatie bestaat. Vooral subjectieve gelijkenissen tussen de inburgeraar en de vrijwilliger of organisatie spelen hier een rol. Het gaat dan om overeenkomsten op vlak van interesses, waarden en karaktereigenschappen. Gelijkenissen wat betreft gender, etniciteit en leeftijd zijn minder belangrijk voor de kwaliteit van de relatie.

Daarbij dient het ondersteuningstraject asymmetrisch te zijn. Het zijn de behoeften van de nieuwkomer die centraal dienen te staan en niet die van de organisatie of buddy. Toch is het belangrijk dat er sprake is van een zekere wederkerigheid waarbij beide partijen oprecht willen investeren in het traject. Verder is een goede opvolging door een professional doorslaggevend voor het succes van een sociaal netwerk- en participatietraject. Dit kan door regelmatig contact op te zoeken met de deelnemers en het organiseren van steungroepen en sociale evenementen.”

“De kwaliteit van de match bepaalt of er al dan niet een vertrouwensrelatie bestaat.”

“Om vooroordelen tussen burgers met en zonder migratie-achtergrond te verminderen, stelt de bekende contacthypothese dat aan vier vereisten moet worden voldaan.

Allereerst moet de situatie zo zijn dat de interculturele contacten plaatsvinden in een context van samenwerking eerder dan van concurrentie. Daarnaast helpt het als de betrokkenen aan een gezamenlijke taak of probleem werken. Verder is een omgeving waarin intercultureel contact gestimuleerd en gewaardeerd wordt belangrijk. Tot slot hebben betrokkenen best een min of meer gelijke status. Sommigen stellen dat een dergelijk contact eveneens het potentieel om tot een vriendschap te kunnen komen, moet hebben.

Het is geen eenvoudige opdracht om in trajecten rond sociale netwerking en participatie al deze voorwaarden te kunnen inbouwen, maar het is wel nodig opdat de contacten die er plaatsvinden werkelijk het beeld over ‘de andere’ te laten bijstellen.”

Het is belangrijk dat er sprake is van een zekere wederkerigheid waarbij beide partijen oprecht willen investeren in het traject. 

Welke uitdagingen zijn verbonden aan het opzetten van deze vierde pijler? 

“Trajecten rond sociale netwerking en participatie kunnen in de eerste plaats botsen op structurele sociale ongelijkheden. Vrijwilligers kunnen, ondanks goede bedoelingen, de wooncrisis in verschillende Vlaamse steden en gemeenten bijvoorbeeld niet het hoofd bieden. Daarvoor is professionele hulp nodig en een goed uitgewerkt sociaal beleid.

In de tweede plaats stellen meerdere studies vast dat de verwachtingen ten aanzien deze sociale interventie niet steeds worden ingelost. Het contact met de nieuwkomer kan ook oppervlakkig blijven. Het is mogelijk dat deze trajecten niet tot spectaculaire resultaten leiden, maar eerder kleine effecten hebben, zoals een positievere kijk op de toekomst. Toch zijn deze “bescheiden” uitkomsten ook uiterst waardevol omdat ze gunstig kunnen zijn op lange termijn.”


Bronnen

Allport, G. W. (1954). The nature of prejudice. Cambridge, MA: Perseus Books

De Cuyper, P., & Vandermeerschen, H. (2018). Nieuwkomers op de arbeidsmarkt: Helpt mentoring naar werk om de toegang van anderstalige nieuwkomers tot de arbeidsmarkt te verbeteren? Analyse van een innovatief beleidsinstrument. Over.Werk, 2, 64-70.

Pettigrew, T. (1998). Integroup contact theory. Annual Review of Psychology, 49(1), 65-85.

Uyterlinde, M., Vasco, L., de Groot, N., & Sprinkhuizen, A. (2009). Meer dan een  steuntje in de rug: Succesfactoren van coaching en mentoring onderzocht. Utrecht: Movisie.

Van Robaeys, B., & Lyssens-Danneboom (2016). Duo-werkingen in Vlaanderen: Eerste tussentijds onderzoeksverslag. Antwerpen: Expertisecentrum Krachtgericht Sociaal Werk.

Weiss, A., & Tulin, M. (2019). As Iron Sharpens Iron: A mentoring approach to labour market integration for humanitarian migrants. International Journal of Evidence Based Coaching and Mentoring, 17(2), 122-137.

Delen
Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Gaëlle Mortier

Onderzoekster Hannah Arendt Instituut

Stijn Oosterlynck

Wetenschappelijk directeur Hannah Arendt Instituut

Voorzitter van USI en CRESC Universiteit Antwerpen

Prater, denker of doener?

Schrijf in op onze nieuwsbrief. Wij mikken op debat, wetenschap en actie.