Hoe organiseer je een inclusief middenveld?

Een interview met Dirk Jacobs over de organisatie en participatie van het etnisch-culturele middenveld.

Onze samenleving is steeds diverser. Dat confronteert beleidsmakers met een veelheid van meningen, noden en belangen. In een inclusieve samenleving is het middenveld zo georganiseerd dat het een diversiteit aan stemmen laat participeren in het maatschappelijk debat en de politieke besluitvorming. De voorbije decennia gebeurde dat vooral via etnisch-culturele verenigingen en hun federaties. Een koepelorganisatie van die federaties treedt dan op als woordvoerder van etnisch-culturele minderheden. 

Al enige tijd proberen overheden en betrokken middenveldorganisaties het echter over een andere boeg te gooien. Maar wat is wijsheid? We vroegen het aan Dirk Jacobs. Hij is professor Sociologie aan de ULB en onder meer gespecialiseerd in migratie en integratie. 

Jij bent al een hele tijd bezig met de vraag hoe een inclusief maatschappelijk middenveld georganiseerd moet zijn? 

Ja, wij doen al jaren onderzoek naar de rol en de dynamieken van verenigingen in de samenleving. Welke impact en welk belang heeft het middenveld? We baseren ons daarbij op de theorieën van Robert Putnam over sociaal kapitaal. Daarmee verwijst hij naar sociale netwerken tussen mensen en het vertrouwen en ‘wederzijdsheid’ die eruit ontstaan. De focus ligt dan vaak op de vraag of actief zijn in het verenigingsleven leidt tot politieke inclusie of niet. En diezelfde vraag wordt ook gesteld over de etnisch-culturele verenigingen. Kent dat dezelfde dynamiek of een heel andere? Sinds vijftien jaar groeit daar een heel rijk internationaal vergelijkend onderzoek uit, met heel veel empirische data. 

En wat zijn de conclusies uit dat onderzoek? 

Wel, één robuuste vaststelling in alle landen is dat het deelnemen aan etnisch-culturele zelforganisaties geen rem is op integratie. Het is niet zo dat minderheden die zichzelf organiseren in verenigingen zich af zouden keren van de ontvangende samenleving of minder contacten zouden leggen met andere organisaties.

Empirisch is het dus niet zo dat zelforganisaties leiden tot een terugplooien op zichzelf. En dan verschilt het van land tot land en van context tot context of er daarbovenop een positieve invloed is: of zich verenigen in zelforganisaties kan helpen om actiever bruggen te slaan met de samenleving, de stad of de omgeving waarin men ingebed zit. 

Eén robuuste vaststelling in alle landen is dat het deelnemen aan etnisch-culturele zelforganisaties geen rem is op integratie.

Waar hangt die positieve invloed mee samen? 

In contexten waar er hard wordt ingezet op het belang van assimileren, zetten verenigingen  sterk in op hun rol als diaspora en gaan ze sterk investeren in relaties met het land van herkomst. In meer multiculturele contexten waar er wel een openheid is naar het beleven van etniciteit als identiteitskenmerk, zie je dat het net wel een stimulans geeft voor lokale inclusie, politieke participatie, het linken met andere organisaties. Het vertrekpunt is dan inderdaad wel opkomen rond een etnische identiteit. 

Kan je daar voorbeelden van geven? 

Sommige landen hebben een sterk assimilatiebeleid. In Zwitserland en Noord-Italië bijvoorbeeld voel je heel sterk dat migranten en etnische culturele minderheden zich gedeisd moeten houden en onzichtbaar moeten zijn. Dan zie je dat die minderheden zich heel sterk richten op activiteiten rond de landen van herkomst, zelfs bij de tweede en derde generatie. Ook in Frankrijk zie je die tendens.

Dat staat in schril contrast met wat er gebeurt in het Verenigd Koninkrijk of in de Scandinavische landen waar dat etnisch-culturele achtergrond als een springplank voor inclusie fungeert. Dus het hangt eigenlijk een beetje af van het politieke discours (van de zogenaamde political opportunity structures) die sterk bepalen wat de impact is van het actief zijn in dit soort verenigingen. 

En waar we ons eigenlijk vooral zorgen over zouden moeten maken – als we het normatief bekijken – is de mensen die nergens lid van zijn. Vaak heerst bij hen een wantrouwen naar overheid en instellingen. 

En dat wantrouwen verhindert hen deel te nemen aan het verenigingsleven? 

Tocqueville noemde verenigingen ‘schools of democracy’. Maar dat is dus de discussie: leer je dat vertrouwen en dat samenwerken in het verenigingsleven of engageren mensen die al een open houding hebben zich sneller in verenigingen? Dat is de kip of het ei. Onderzoek toont dat het een beetje van allebei is. 

Leer je vertrouwen en samenwerken in het verenigingsleven of engageren mensen die al een open houding hebben zich sneller in verenigingen?

Kan je eens een beeld schetsen van dat etnisch-culturele verenigingsleven in België? 

Dat verenigingsleven in België en zeker in Vlaanderen en Brussel is enorm rijk en enorm instabiel. Er zijn wel wat pogingen geweest om dat te inventariseren, onder meer door Rebecca Thys, door Barbara Herman en ook door mijzelf. Alleen al voor Brussel zijn er een 600-tal Congolese, een 650-tal Marokkaanse en zo’n 350-tal Turkse verenigingen. Dat is dus enorm. Daar zitten ook wel associaties bij van maar één of twee mensen of mensen die verschillende vzw’s hebben.

Wij hebben dan alleen nog maar gekeken naar de formeel erkende organisaties met een vzw-structuur. Daarnaast zijn er ook nog een hele reeks feitelijke verenigingen die komen en gaan maar die soms op het terrein belangrijk werk verrichten. 

Kunnen we daaruit afleiden dat heel veel mensen uit die etnisch-culturele minderheden de nood voelen om zich op één of andere manier te verenigen?  

Ja, ik vind dat logisch.  Want we moeten de klassieke factoren kennen die politieke participatie en politieke inclusie verklaren: hoe hoger opgeleid je bent en hoe meer macht je hebt, hoe makkelijker het is om als individu politiek te participeren, te lobbyen of impact te hebben.

Maar als je sociaal-economisch minder sterk staat, een lager opleidingsniveau hebt of een sociologisch minoritaire positie in de samenleving inneemt, is de meest efficiënte en eigenlijk enige manier om je belangen doortastend te verdedigen, de collectieve manier. En dus via het verenigingsleven. Dat is de geschiedenis van de arbeidersbeweging, ook de christelijke. Ook de vrouwenbeweging en LGTBQI-beweging hebben dat gedaan. 

Dat is wat men “strength in numbers” noemt. Een aantal mensen werpen zich dan op als woordvoerders en de overheid ondersteunt hen om die brugfunctie te vervullen. Het is dus wel logisch dat als we vakbondsafgevaardigden betalen, vrouwenorganisaties of belangenbehartiging voor niet-heteroseksuelen, dat je ook ondersteuning biedt aan groepen die met etniciteit en migratie te maken hebben. 

Het is logisch dat als we vakbondsafgevaardigden of vrouwenorganisaties betalen, dat je ook ondersteuning biedt aan groepen die met etniciteit en migratie te maken hebben. 

Etnische identiteiten kunnen natuurlijk erg verscheiden zijn. Maakt dat het niet ingewikkeld? 

Het lastige is inderdaad wat dat dan betekent, die etnische identiteit. Wie moet daar dan rond de tafel? Wie kan daar woordvoerder zijn? Dikwijls zijn er ook spanningen over wie er al dan niet in zit, welke federaties erbij mogen en hoe die federaties gecreëerd worden. Turken en Marokkanen samen bijvoorbeeld, dat gaat wel, maar Turken en Koerden samen, dat ligt vaak gevoeliger. Je hebt ook kleinere groepen sub-Saharianen of Latino’s of Italianen, maar die groepen kunnen soms een beetje verdrongen worden.

Als er maar een beperkt aantal sleutelfuncties zijn, wie krijgt die dan? Dat zijn dus moeilijke vraagstukken rond legitimiteit en representativiteit. Maar als socioloog weet je: dat zijn processen die overal optreden. 

Ik laat me daarbij vaak inspireren door “Ce que parler veut dire” van Bourdieu. Bestaan groepen van nature of worden groepen gecreëerd omdat iemand zich opwerpt als woordvoerder van een groep en en als legitiem wordt aanvaard? Misschien ontstaan belangen van die groep pas in dat proces van woordvoerderschap. 

Die vraag naar legitimiteit en woordvoerderschap lijkt ons een sleutelvraag in de participatie van etnisch-culturele minderheden. Heb je het gevoel dat daar de voorbije jaren vooruitgang is geboekt of blijft die kwestie sluimeren zonder echte oplossing? 

Mijn inschatting is dat het ondersteunen van het etnisch-cultureel middenveld ook bedoeld is om expertise en professionaliteit te kunnen uitbouwen. Maar telkens worden dan die opgeleide mensen weggeplukt door de politiek, door kabinetten of door reguliere organisaties die hun diversiteit willen vergroten. En dan moet dat proces telkens van nul af aan beginnen. Die cream skimming is trouwens een internationaal gegeven.

Is het om die reden dat er enthousiasme is voor een netwerkaanpak en de rol die sociale ondernemers kunnen spelen in de participatie van etnisch-culturele minderheden? 

Sociaal ondernemerschap is een interessant model maar het is een particulier model. Dat model komt uit de Angelsaksische wereld – vooral uit de VS – waar rijke mensen via filantropie financiële steun geven aan initiatieven die gericht zijn op inclusie of op beter presteren op school.  Sociale ondernemers moeten via ‘performance indicators’  hun professionaliteit en effectiviteit bewijzen om aan geld te geraken om die projecten uit te voeren.

Maar als je dan kijkt in de VS is er naast dat model ook nog altijd een heel sterke beweging van community mobilization. Echt grass roots en collectief werken aan emancipatie en aan het verdedigen van rechten. Die twee bestaan gewoon naast elkaar. Het is dus niet zo dat het ene het andere vervangen heeft. 

Steun jij de gedachte dat je van een koepelorganisatie naar een netwerk zou moeten gaan? 

De vraag die de verenigingen zichzelf moeten stellen is: willen we beleidsimpact hebben en specifieke belangen verdedigen? Dan heb je volgens mij toch een woordvoerder nodig, die een mandaat krijgt van wie daardoor vertegenwoordigd wordt. Een netwerk lijkt me toch minder een gezicht te hebben. Ik betwijfel of je zo nog effectief aan belangenbehartiging kan doen. Dan worden die zelforganisaties politiek vleugellam en komen -politiek moeilijkere- thema’s als discriminatie en racisme en afdwingbare oplossingen daartegen zoals quota moeilijker aan bod.

In de praktijk

We vroegen aan Badra Djait en Lennart Thienpont van VOEM (Vereniging voor Ontwikkeling en Emancipatie van Moslims), respectievelijk voorzitter van de Raad van Bestuur en nationaal inhoudelijk coördinator, hoe zij het aanpakken. VOEM werkt al langer met losse netwerken en besliste drie jaar geleden om daar nog sterker op in te zetten. Wat zijn de voordelen en nadelen? Lees meer.

Delen

Dirk Jacobs

Professor sociologie aan de ULB, expert in migratie en integratie

Prater, denker of doener?

Schrijf in op onze nieuwsbrief. Wij mikken op debat, wetenschap en actie.

Arendt
Academy

Leer waar en wanneer jij wil

Wetenschappelijke inzichten.
In toegankelijke e-learnings en webinars.