Wie niet voor ons is, is tegen ons.

Over toenemende polarisatiedruk en manieren om daarmee om te gaan.

INTERVIEW met Marjan Verplancke

 

Velen hebben het gevoel dat de polarisatie in de maatschappij is toegenomen. Misschien spreek je zonder het goed en wel te beseffen zelf ook vaker van ‘wij’ en ‘zij’. Hoe komt dat dan? En is er een manier om negatieve polarisatie tegen te gaan? In het boek Onvoltooid Verleden Tijd analyseren 18 denkers de druk op veelzijdigheid en democratie. Marjan Verplancke van het Hannah Arendt Instituut schreef samen met Simon Schepers (Bijzonder Comité voor Herinneringseducatie) een van de bijdrages. Ze reiken naast een historisch perspectief ook mogelijke oplossingen aan.

Hoe komt het dat we met z’n allen het gevoel hebben dat de polarisatie de laatste jaren is toegenomen?

Polarisatie is inderdaad een soort containerbegrip. Het dreigt soms uitgehold te worden, want iedereen beschuldigt iedereen van polarisatie. Toch is het wel zo dat we de laatste jaren kunnen vaststellen dat bijvoorbeeld op politiek vlak polen steeds verder uit elkaar drijven. Het blijkt steeds moeilijker om een soort ‘common ground’ te vinden of om inhoudelijke tegenstrevers met respect te behandelen. Je ziet dat op macroschaal: wereldleiders die tweedracht zaaien, kiezers op zoek naar zogenaamde duidelijkheid, een opvallende toename aan autoritaire regimes, een wereldwijde groei van complotdenken en desinformatie, meer en meer toxisch taalgebruik op sociale media… Maar ook op microschaal bereiken ons heel wat bezorgde vragen van onderwijs, lokale besturen, musea, middenveldorganisaties, politie… die niet altijd weten hoe ze moeten omgaan met extreme stemmen en hoogoplopende controverses in hun professionele context.

Bij velen leeft het idee dat polarisatie altijd negatief is. Dat is niet zo, zeg je?

Op zich is polarisatie een neutrale dynamiek. Alles hangt van je referentiekader af. De eersten die opriepen om slavernij af te schaffen, vrouwen te laten stemmen of het klimaat te beschermen, werden ook als radicalen weggezet. Zo’n maatschappelijke groei start dus met een polarisatie, met frictie tussen pro en contra. Meningen botsen en de status quo wordt uitgedaagd. Polarisatie kan dus een belangrijke motor zijn voor vernieuwing. Het wordt pas problematisch als het niet meer over argumenten en meningen gaat, maar over ‘wij’ versus ‘zij’. Kort gezegd: als niet langer de bal wordt gespeeld, maar de man. Dan zie je wederzijdse verwerping. Tegenstrevers worden gezworen vijanden. Zo wordt samenleven of samenwerken moeilijk of zelfs onmogelijk.

“Op zich is polarisatie een neutrale dynamiek.”

Er zijn dus vele vormen en gradaties van polarisatie. Maar de systematieken erachter zijn wel vaak dezelfde?

Volgens filosoof Bart Brandsma herken je destructieve polarisatie hieraan: het is een gedachteconstructie, geen reëel iets. ‘De’ Vlaming en ‘de’ Waal zijn frames, net als ‘de’ moslim, ‘de’ Vlaams-Belanger, ‘de’ jood, ‘de’ vluchteling, ‘de’ witte man, ‘de’ holebi … In een polarisatie komen twee van die frames tegenover elkaar te staan. Het worden tegenpolen: wij versus zij. Die polen worden met waarde geladen: wij zijn intelligent en juist, zij zijn lui of onaangepast. Die uitspraken over de andere pool vormen brandstof voor de polarisatie, zonder dooft het vuurtje uit. Wij-zij-denken vertrekt vanuit de onderbuik. Mensen voelen zich bedreigd, woedend, fier, angstig… De onderbuik heeft geen oren naar redelijke argumenten of nuance.

Kan je, in die gepolariseerde context waarin we ons blijken te bevinden, zelf neutraal blijven? Of speel je, misschien zonder het zelf te willen, een rol? 

Echt neutraal zijn is altijd een illusie. Ook in polarisatie nemen we een bepaalde rol op, soms zonder het zelf te beseffen. Zelf in één van de polen gaan staan is verleidelijk: je stem wordt gehoord en het geeft een duidelijke identiteit. En hoe meer mensen kamp kiezen, hoe groter de druk wordt om dat zelf ook te doen. Soms duwt de tegenpartij je ook in een bepaalde rol. Zo wordt het midden steeds kleiner. Nochtans benadert die groep het best wat jij neutraliteit noemt. Brandsma spreekt van ‘het stille midden’. Daarin zitten mensen die geen kamp kiezen omdat ze afzijdig willen blijven of juist omdat ze heel betrokken zijn en te veel nuance zien. Een uitdagende positie in dat midden zijn de “professioneel neutralen”, mensen die door hun functie eigenlijk geen kleur mogen bekennen, hoewel ze dat misschien wel graag zouden willen. Denk aan politiemensen, magistraten, leerkrachten, journalisten, … Hoe heviger de polarisatie, hoe groter het midden polarisatiedruk ervaart. Want, zo zeggen de polen, wie niet voor is, is tegen ons. Iedereen speelt dus een rol in dat polarisatieveld en dat mag ook. Er zijn geen ‘goede’ of geen ‘slechte’ rollen. Wat echt relevant is, is de vraag tot welke rol je je moet richten als je wil gaan depolariseren. 

Marjan Verplancke, coördinator Vorming & Publiekswerking Hannah Arendt Instituut

Ja, hoe doe je dat dan, dat depolariseren? 

Idealiter leren we onszelf om op zo’n manier met elkaar van mening te verschillen dat een situatie niet destructief hoeft te gaan polariseren. In het werk van Maarten Van Alstein bijvoorbeeld, kan je daarvoor sleutels vinden. Hij baseert zich daarbij onder meer op de inzichten van politiek filosofe Chantal Mouffe rond agonistiek. Die agonistische benadering ziet het democratische proces als een arena waarbinnen conflicten niet onderdrukt mogen worden, maar net ruimte moeten krijgen als constructieve en niet-gewelddadige motor tot verandering. Is de situatie al geëscaleerd, dan suggereert het denkkader van Brandsma vier gamechangers. Je verandert van doelgroep, van onderwerp, van positie en van toon. Met andere woorden, als je wil depolariseren, richt je dan op het midden en niet op de polen. Dat doe je door zelf mee in het midden te gaan staan en samen met de mensen uit het midden de focus te verleggen. Je gaat op zoek naar het gemeenschappelijke vraagstuk. De aandacht gaat niet langer naar de geframede identiteitsverschillen, maar naar de vragen die ons verbinden.

Tot welke pool we ook behoren, we zijn allemaal op zoek naar dezelfde dingen: ons goed voelen, ons veilig voelen, ons gehoord voelen…. Het gemeenschappelijke vraagstuk is dan wat we nodig hebben om die gemeenschappelijke noden te vervullen. Die antwoorden vind je alleen in het midden, door aandachtig te luisteren en de juiste vragen te stellen. Depolariseren is dus niet proberen de polen te overtuigen dat die andere pool wel meevalt (dat zal niet lukken en onwillekeurig heb je het dan toch weer over die geframede identiteiten), het is het midden ervan overtuigen in het midden te blijven staan en dat midden zo groot mogelijk houden.

“We zijn allemaal op zoek naar dezelfde dingen: ons goed voelen, ons veilig voelen, ons gehoord voelen.”

Het klinkt allemaal heel eenvoudig zo. 

En dat is het natuurlijk niet. Depolarisatie kost tijd, energie en leergeld. Brandsma’s kader is krachtig omdat het inzichtelijk en helder is. Tegelijk, en dat zegt Bart zelf ook, is het ‘maar’ een denkkader dat een taal geeft om situaties te bespreken. Het houdt momenteel bijvoorbeeld geen rekening met macht en privilege. Je kan je de vraag stellen in hoeverre je een situatie moet depolariseren waar een machtige geprivilegieerde groep tegenover een minderheidsidentiteit komt te staan. Denk aan de Black lives matter-beweging. Vanaf welk punt is het zinvoller om in het midden te blijven staan en van onderwerp te veranderen? Of wanneer moet je net mee dat maatschappelijk bewustzijn aanzwengelen? Daar ook een voortrekkersrol in spelen of toch minstens bondgenoot zijn? En hoe doe je dat dan? Ik geef toe dat ik daar zelf wel mee worstel.

Het Hannah Arendt Instituut en de andere partners van het Vlaamse polarisatienetwerk wij-zij volgen van nabij het werk van onderzoekers als Maarten Van Alstein. Ook binnen het Hannah Arendt Instituut zijn mensen als Alexander Van Leuven of Michelle Boonen gespecialiseerd in deelaspecten van het thema. De inzichten van het Nederlandse Kenniscentrum Integratie en Samenleving (KIS) zijn al vertaald in concrete handelingskaders en methodieken voor onderwijs, lokale besturen, online polarisatie… 

Die toenemende polarisatie doet veel mensen de vergelijking maken met de jaren 30. Eigenlijk gaat het hele boek Onvoltooid Verleden Tijd daarover. Jullie punt is vooral dat die vergelijking omzichtig moet gemaakt worden.

Inderdaad. Die jarendertiganalogieën zijn niet nieuw en hoewel er zeker parallellen te benoemen zijn tussen de jaren dertig en vandaag zijn er ook heel wat verschilpunten. Het verleden biedt geen pasklare handelingsrecepten voor vandaag. Toch zie je dat die vergelijking constant wordt ingezet als morele waarschuwing. Historicus Emmanuel Gerard noemt de jaren dertig een “grabbelton” waaruit men elementen grabbelt die dan moeten dienen om de ander in een slecht daglicht te plaatsen. Ken je de wet van Godwin? Hoe langer een discussie duurt, hoe groter de kans dat iemand een Hitler- of nazivergelijking boven haalt. Die meneer Godwin ergerde zich daar mateloos aan. Maar het irritantste vond hij dat die vergelijking meestal alle deuren dichtgooit. 

In onze bijdrage aan het boek zoemen we bijvoorbeeld in op de actie van Ecolo-J, de jongerenafdeling van Ecolo. Zij photoshopten Theo Francken in nazi-uniform. Zo protesteerden ze tegen zijn samenwerking met Soedan voor het identificeren van migranten in het Brusselse Maximiliaanpark. Nog los van de historische zin of onzin van die nazivergelijking, moet je je afvragen of die campagne haar doel wel bereikte. Als je ziet dat de weken daarop alle energie van media en publieke opinie ging naar de legitimiteit van die vergelijking, en dat niemand nog met een woord repte over het Belgische asielbeleid, vind ik die vraag niet onterecht. Het Hitler- of Holocaust-argument weegt in deze samenleving nu eenmaal moreel zo zwaar door dat meningsverschillen verzanden in emotionele discussies over identiteit: goed versus slecht, juist versus fout. Het maakt iedereen a priori tot een soort vijand in plaats van een gesprekspartner. Want wie wil er nu praten met een nazi? Of met iemand die jou een nazi noemt?

“Het verleden biedt geen pasklare handelingsrecepten voor vandaag.”

Hoe kan je dan wel lessen trekken uit het verleden? 

Daarvoor verwijs ik graag naar de publicaties die we met het Bijzonder Comité voor Herinneringseducatie maakten. Reflecteren over het verleden is nooit zomaar lessen overnemen, maar moet steeds in de vorm van kritische vragen en debat. Het gaat dan vooral over hoe historische inzichten ons genuanceerder leren kijken naar de samenleving vandaag. Het verleden bestuderen moet ons vooral gevoelig weten te maken voor complexiteit, meerstemmigheid en maatschappelijke betrokkenheid. Voor de kracht van de nuance.


Interessante bronnen:

  • Janssens, I. (red). (2020). Onvoltooid verleden tijd. Antidotum tegen historisch geheugenverlies. Sterck & De Vreese. 271. 
  • Van Alstein, M. (2018). Omgaan met controverse en polarisatie in de klas. Antwerpen: Pelckmans Pro. 
  • Brandsma, B. (2016). Polarisatie. Inzicht in de dynamiek van wij-zij denken. BB in Media. 123.  

Meer lezen?

Meer informatie

Met spraakmakende bijdrages van: Charlotte Van den Broeck, Patrick Dewael, Eric Corijn, Georgi Verbeeck, Marc Reynebeau, Peter Wouters, Marjan Verplancke/ Simon Schepers, Aline Sax, Eva Brems, Béatrice Delvaux, Koen Vanmechelen, Geert van Istendael, Pieter de Buysser, Rachida Lamrabet, Herman Van Goethem, Stijn Devillé en Koen Aerts.

Inleiding en eindredactie Ivo Janssens.

Elk vanuit hun discipline of invalshoek waarschuwen ze voor een historisch geheugenverlies. Het verleden is onvoltooid niet alleen op het vlak van daders en slachtoffers maar ook op het vlak van democratische waarden als mensenrechten,  de vrijheid van meningsuiting en de rechtstaat.

€ 24,95

Soft cover

Ca. 256 Pagina’s

Formaat 17 x 24 cm

NUR 689 | 740

ISBN 90 978

Oktober 2020

Sterck & De Vreese

Delen
Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Prater, denker of doener?

Schrijf in op onze nieuwsbrief. Wij mikken op debat, wetenschap en actie.